Onderzoeksprogramma 2020

Onderzoek als pijler van de COGEM

De COGEM laat onderzoek doen door derden ter ondersteuning van haar adviserende en signalerende taak. Externe onderzoeksprojecten ontlasten de COGEM, maken het mogelijk om ontwikkelingen vroegtijdig in kaart te brengen en maken het mogelijk om (op kleine schaal) experimentele gegevens te verkrijgen. Daarmee is het onderzoeksprogramma een essentiële pijler onder de werkzaamheden van de COGEM. In 2020 zijn 4 onderzoeksrapporten verschenen die ook een mooi beeld geven van de verscheidenheid van onderwerpen waarover de COGEM zich in de afgelopen jaren heeft gebogen.

In het rapport The COGEM formula revisited. Experimental validation of the reduction ratio formula for free lentiviral particles, opgesteld door onderzoekers van het LUMC, is de rekenformule (de COGEM-formule) voor de bepaling van de aanwezigheid van zogenaamde vrije lentivirale virusdeeltjes die overblijven na de transductie van cellen, onder de loep genomen. Deze rekenformule wordt ook gebruikt in de Europa-brede generieke milieurisicobeoordeling van gentherapiestudies met genetisch gemodificeerde cellen die ex vivo met virale vectoren zijn getransduceerd. Blootstelling van derden aan nog aanwezige (vrije) infectieuze vectordeeltjes zou mogelijk mogelijk tot schadelijke effecten kunnen leiden. In het onderzoek is gekeken naar een betere experimentele onderbouwing van de theoretische rekenformule. Naar aanleiding van de resultaten heeft de COGEM een advies met een generieke milieurisicobeoordeling voor klinische studies waarbij nog vrije vectordeeltjes in het medisch product (de genetisch gemodificeerde cellen) aanwezig zijn, opgesteld. Begin 2021 is dit uitgebreid met een advies over hoe omgegaan moet worden met laboratoriumexperimenten waarbij nog vrije vectordeeltjes in de preparaten aanwezig zijn.

In juli 2018 heeft het Hof van Justitie van de EU in een uitspraak antwoord gegeven op de vraag of gewassen geproduceerd met behulp van moderne mutagenesetechnieken onderhevig zijn aan de verplichtingen van de Europese ggo-regelgeving. Tot teleurstelling van de veredelingsindustrie en biotechnologen en tot vreugde van veel NGOs oordeelde het Hof dat gewassen verkregen door mutagenesetechnieken, ggo’s zijn in de zin van de betreffende Richtlijn 2001/18, maar dat producten van moderne mutagenesetechnieken niet onder de vrijstellingsbepaling vallen die producten van (klassieke) mutagenese uitzonderen van de verplichtingen van de Richtlijn.
Gezien de maatschappelijke discussie over gene-editing van gewassen en de beleidsconsequenties van de uitspraak heeft de COGEM opdracht gegeven voor een onderzoek om inzicht te krijgen in de reikwijdte en consequenties van deze Hofuitspraak. Het rapport ‘Uitspraak van het Europees Hof over gene editing en de ggo-regelgeving; Reikwijdte en consequenties’ bevat een juridische analyse van de overwegingen van het Hof. De analyse wordt gevolgd door de bredere wetenschappelijke context van deze uitspraak, waarin een aantal discrepanties tussen de juridische en biologische werkelijkheid wordt blootgelegd. Deze discrepanties maken zichtbaar dat het Hof door zijn uitspraak geen duidelijkheid heeft weten te scheppen, maar juist prangende vragen oproept. Vragen die door de wetgever, in dit geval de Europese Commissie, en niet door de rechter geadresseerd moeten worden.

In de hierboven vermelde discussie over de zogenaamde nieuwe veredelingstechnieken en de vigerende ggo-regelgeving is het voor de Europese beleidsdiscussie van belang om inzicht te hebben in de mate waarin de geïntroduceerde erfelijke modificaties zich bewegen binnen de natuurlijke variatie van de plantensoort. De COGEM heeft daarom een onderzoek laten uitvoeren naar welke veranderingen er van nature in het genoom van planten optreden. Naar aanleiding van het onderzoeksrapport 'The plasticity of plant genomes – Causes and consequences: a survey of data on structural genome variation in plants’ heeft de COGEM in een signalering aan de minister van IenW geconcludeerd dat het type veranderingen dat met gerichte mutagenese-technieken aangebracht kan worden in het plantengenoom, zich van nature relatief vaak voordoet en binnen de bandbreedte van natuurlijke variatie valt. Grotere veranderingen zoals herschikkingen in het genoom en recombinaties van gensequenties waarbij functionele genen ontstaan vinden ook van nature plaats, maar slecht sporadisch in de loop van de tijd. Dergelijke veranderingen vallen daarmee met betrekking tot de tijdschaal waarop ze zich voordoen buiten de bandbreedte van natuurlijke variatie.

Tenslotte heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) die toeziet op de naleving van de ggo-regelgeving in Nederland, de COGEM om advies gevraagd over de maatregelen die genomen moeten worden bij mogelijke toekomstige incidenten met verontreinigingen van zaaizaad met niet-toegelaten gg-zaden. Eén van de aspecten daarbij is welke methoden het meest geschikt zijn om niet-toegelaten gg-planten, met name op akkers, en ander niet-toegelaten gg-plantmateriaal te vernietigen. De COGEM heeft ter voorbereiding van dit advies het onderzoeksrapport 'Plant material inactivation; How to eliminate seed and plant lots commingled with non-authorised GM material’ laten opstellen, waarin ingegaan wordt op de voor- en nadelen van de verschillende beschikbare methoden. Het rapport bevat onder meer een beslisboom waarmee eenvoudig bepaald kan worden welke methoden gebruikt kunnen worden om het gg-plantmateriaal te vernietigen.